Ons Erfgoed
 
 
Oorlogsbelevenissen van zusters uit klooster Maria Roepaan.
 

 Het laatste oorlogsjaar en de evacuatie van Maria Roepaan in Ottersum is door twee Duitse zusters beschreven: zuster Priscilla en zuster Elimaris. Beide verhalen dienen als basis van deze samenvatting.

 

 Het werd steeds donkerder aan de horizon in 1944. Opeens werd gezegd dat het klooster ontruimd zou moeten worden voor de huisvesting van militairen. Begin september kwamen de eerste 50 soldaten. Er was ruimte vrijgemaakt in de kelders, maar na een paar dagen vertrokken ze weer. De kwartiermeester drukte de overste een geldstuk in de hand en hij hoopte dat de zusters voor hem zouden bidden!
Op 8 september kwam er een tweede groep: soldaten en ook vrouwen en kinderen. Het zouden vluchtelingen zijn uit Maastricht. Ook deze groep vertrok snel weer. De ruimten werden schoon gemaakt, maar het duurde niet lang of er werden arbeiders aangekondigd die loopgraven moesten maken: een paar honderd man uit Westfalen en het Rijnland, oudere mannen tot 60 jaar en jongens van wie er sommige nog geen 15 waren! Zij werden deels in het sousterrain en deels in de kinderrefters ondergebracht en er kwamen twee grote tenten in de tuin voor Russische krijgsgevangenen die ook moesten werken. Tijdens de viering van het zilveren professiefeest van 2 zusters was er ineens een hevig kabaal in de lucht. Vliegtuigen vlogen af en aan en er ontstond paniek. Iedereen probeerde zich in veiligheid te brengen. Er vielen bommen en het huis schudde op zijn grondvesten. Het was angstaanjagend! Er kwamen heel veel soldaten met parachutes naar beneden. Het was het begin van een aantal onrustige dagen en nachten. Zowel de arbeiders als de Russische krijgsgevangenen vertrokken uit angst voor de Engelsen die met oorlogsmateriaal geland waren.

In de omgeving van Mook werd hevig gevochten. Het klooster van Maria Roepaan werd ingericht als lazaret. Hier verzorgde het Rode Kruis de gewonden. In het sousterrain werd een primitieve operatiekamer ingericht. Dokters en verpleegsters werden ingekwartierd. De slachtoffers kwamen vaak in vrachtauto’s aan, met bloed en slijk bedekt en kreunend van de pijn. Dag en nacht hoorden we het geschut en het inslaan van granaten. Het leven hing aan een zijden draadje. Ook het klooster werd getroffen door granaten. Er was geen electrische stroom meer, dus geen licht, maar ook geen water. Er moest water gehaald worden aan een kleine pomp in het washuis en dat voor ongeveer 140 bewoners en ook voor de militairen. In de dorpen Milsbeek en Middelaar hielden de gevechten aan. Veel inwoners waren gevlucht voor het geweld, maar er zaten nog steeds mensen in de kelders tot de soldaten hen dwongen het gebied te verlaten. Met een witte vlag en een afbeelding van Onze lieve Vrouw eraan bevestigd, trokken ze door de vuurlinie. In de omgeving van ons klooster hoorden ze dat hun pastoor hier verbleef. Zij hadden steeds gedacht dat hij doodgeschoten was! De blijdschap was groot!

De vreugde van dit weerzien werd getemperd door het bericht: Gennep moet ontruimd worden! Weer werden er wel 100 vluchtelingen opgevangen, waaronder veel kleine kinderen. Dat gebeurde op zondag 15 oktober 1944. We hadden veel werk in huis met zoveel mensen erbij. Zelfs in de kippenhokken werden zij ondergebracht. Het washuis werd door de militairen opgeëist voor de “ontluizing” van soldaten die lang aan het front waren geweest. Zij waren heel vuil en hadden lange baarden! Twee dagen later moesten de mensen die uit Gennep kwamen weer weg, alleen enkele zieken mochten blijven. Hoe zou het gaan met ons? Op vrijdag 20 oktober  viel de beslissing: 27 kostlui en 26 zusters van Maria Roepaan moesten ook weg. Er werd geen rekening gehouden met de toestand van de mensen, velen van hen waren oud en ziekelijk. Het werd een opwindende gebeurtenis. Wat zou er met ons gebeuren?

Het overlevingspakket dat bij iedereen al klaar stond was te zwaar, want we moesten lopen! De helft van de zusters en de pensiongasten werd met een auto van het Rode Kruis naar Goch gebracht. Het afscheid nemen viel zwaar, het was alsof we elkaar nooit meer zouden zien. Toen we de poort van Maria Roepaan uitkwamen, zagen wij een grote menigte dorpsbewoners voorbij trekken met wagens, karren, kinderwagens en fietsen die met spullen volgeladen waren. Wij sloten ons bij deze stoet aan. Het waren ongeveer 5000 mensen. In de verte hoorden we het dreunen van het afweergeschut en vaak sloegen er vlak bij ons granaten in. We zagen ook hoe paarden, runderen en schapen door soldaten werden opgejaagd. Nadat we de grens over waren, ging het onder begeleiding van een soldaat te paard richting Goch. Uitrusten was er niet bij! Waar zouden we de nacht moeten doorbrengen? 

  Langs de straten zagen we wat de oorlog allemaal al had aangericht: veel kapotgeschoten en uitgebrande huizen, neergeschoten vliegtuigen en vernielde auto’s.

Een eindje voor de stad Goch kwamen een paar medezusters ons tegemoet. Zij waren al in het Annastift ondergebracht. Wij werden ook gastvrij onthaald. Het was een drukte van jewelste, de zusters wilden ons iets te eten geven. Dat lukte. Wij kregen pannenkoek van bloem met appelstukjes er in en gebakken aardappelen. Wij konden overnachten in het ziekenhuis van de Clemenszusters. De zieken waren namelijk allemaal in veiligheid gebracht. De zusters waren heel bezorgd, ze gaven ons gelegenheid om de voeten te wassen en te verzorgen. Velen hadden die doorgelopen, maar er werd verband gegeven om de wonden te verbinden.

De nacht verliep rustig, maar geslapen werd er niet veel. Op zaterdag 21 oktober woonden wij de H. Mis bij. Het was troostrijk om ook in deze situatie Gods lof te kunnen zingen. Helaas moesten wij snel weer weg. Te voet naar Kalkar! Alleen de oudere zusters werden met een auto gebracht. Tot waar wij de Rijn zouden oversteken was het 25 kilometer. Het was prachtig weer en het ging berg op berg af door veld en wei in deze voor ons bekende streek. 

Tegen 1 uur kwamen wij in Kalkar aan. Sommige zusters ontmoetten hier familieleden, maar helaas was de middagpauze erg kort, want we moesten verder naar Rees bij de Rijn. Voor de oudere zusters was er nu geen vervoer beschikbaar, ook zij moesten lopen! Onderweg werd een bierwagen aangehouden en enkele zusters mochten meerijden.

Aan de Rijn gekomen zagen we dat het veer niemand meer overzette. Na een gesprek met een daar aanwezige soldatenhoofdman lukte dat wel, al was het inmiddels schemerdonker. In Rees vroegen we naar een klooster. Een Nederlandse soldaat bracht ons naar het ziekenhuis. Daar was alleen plaats voor militairen, maar de zusters hielpen ons. We kregen eten en onderdak. Heel primitief met stoelen en banken in het washuis en in de gangen!

Op zondag 22 oktober gingen we in de kapel van het klooster ter communie en in de parochiekerk naar de H.Mis. Sommige zusters hadden de moed al bijna verloren. Het was ook moeilijk voor onze oude zusters om steeds maar doelloos verder te trekken. Maar uiteindelijk besloot iedereen om samen door te gaan. In het ziekenhuis hadden we gehoord dat ons klooster in Emmerich door brandbommen was geraakt en vernield. Uit Gendringen, een dorpje aan de Nederlandse kant van de grens kwamen wagens om ons op te halen. Medelijdende mensen brachten nog boterhammen en melk voor de kinderen die er bij waren. Om 12.30 uur kwamen we in Gendringen aan. Hier was alles goed georganiseerd. Alle vluchtelingen werden bij gezinnen ondergebracht. Wij werden hartelijk ontvangen in het klooster van de schoolzusters van Heiligenstadt. Ze waren blij dat ze ons onderdak konden verschaffen. De zusters stonden hun eigen bedden af aan ons. In de parochiekerk vlak bij het klooster was ’s middags lof. Daar gingen wij naar toe. Aan het einde zong het volk: Looft God alle tongen en talen. Wij zongen mee, want wij waren het eens met het slotrefrein: God is goed, alleluia. Daarna gingen we nog naar het kerkhof waar 30 Engelse vliegeniers waren begraven.

De volgende morgen werd gebruikt om wat op adem te komen, want we zouden om half drie met de tram naar Doesborg gaan. Nadat we een uur hadden gewacht met heel veel andere mensen die ook mee wilden, konden we instappen. Maar dat ging niet gemakkelijk. Het waren vrachtrijtuigen zonder opstap! Met hulp van een paar mannen lukte het. We moesten staan en van de omgeving zagen we niets. Tegen zes uur waren we in Doesborg. Hulpvaardige mensen brachten ons naar een klooster: het Jozefgesticht van de Dochters van Maria en Jozef. De zusters voelden zich overvallen door zo’n grote groep vluchtelingen, want  een deel van het huis was al door militairen opgeëist. In een grote spreekkamer werden we ondergebracht. Met matrassen en kussens werden er slaapplaatsen gemaakt op de grond. We konden ermee lachen. Het was een leuk gezicht zo allemaal naast elkaar. 

De volgende morgen was iedereen op tijd klaar om weer te vertrekken, maar helaas kwamen de wagens die ons verder zouden brengen niet. Dus bleven we nog een dag en een nacht. En zo konden wij een mooie Gregoriaanse dienst bijwonen.

Op woensdag 25 oktober ging de reis verder. Iedere wagen had een witte vlag ten teken dat we vluchtelingen waren. Een bonenstaak met een lap was voldoende! Direct na het verlaten van Doesborg moesten we de IJssel oversteken. De brug was echter gedeeltelijk vernield en er mochten geen zwaarbeladen wagens overheen, dus moest iedereen uitstappen en te voet de brug over. Het was niet gemakkelijk maar het lukte. We waren om 11.30 in Velp, na een prachtige tocht door velden en bossen in herfsttooi. Er was hier ook veel beschadigd: huizen, auto’s, wegen vol gaten…..

Ottersumse mensen, die hier al eerder waren, begroetten ons en ze vertelden dat hier onze zusters uit Arnhem in een huis woonden. Aangezien dat huis vrij klein was, werden wij naar het klooster Larenstein gebracht bij de zusters van de Goede Herder. Hier waren enkele grote gebouwen, maar er was zware schade geleden bij bombardementen. Het was behelpen! De Ottersummers die hier onderdak hadden gevonden, hadden wat stro op de grond met hier en daar een stoel of een bankje en tafels gemaakt van schragen met planken erop. Buiten hadden de mannen een fornuis van stenen gebouwd om aardappels te koken of iets te braden. Een pater die hier de zorg voor de vluchtelingen had, bracht ons naar de tweede verdieping. Hier was een slaapzaal waar 14 cellen waren met matrasstukken. Eerst werd een beetje schoongemaakt, daarna zocht iedereen een cel uit en richtte die een beetje huiselijk in. Eten kregen we van het Rode Kruis.

Al spoedig kwamen onze zusters uit huize “Arcadia” ons bezoeken. Tegen drie uur gingen de meesten van ons mee naar “Arcadia”. Daar vond een blije begroeting plaats. Wij voelden ons hier direct thuis! Helaas moesten we weer terug, want hier was echt geen ruimte over. In Larenstein was om 5 uur lof in de kapel, daarna wat eten en naar bed. Wie geen bed had, rolde zich in een deken en sliep op de matras. Er werd gezegd dat we hier nog een paar dagen zouden blijven. Na de H. Mis die goed bezocht werd, zochten we materiaal om meer schoon te maken en de ziekenzuster ging de verpleegster helpen die zieke vluchtelingen verzorgde. In groepjes gingen we naar onze eigen zusters, waar we ons goed konden wassen. Dat voelde als een weldaad.

 Op vrijdag 27 oktober waren we een hele week onderweg. Wat zou ons reisdoel zijn? In ieder geval mochten we hier nog enkele dagen blijven. ’s Nachts was het heel onrustig door het dreunen van geschut en het inslaan van granaten. Gelukkig waren we daaraan al gewend. Helaas werd onze zuster Guntrada ernstig ziek. Zij werd op een wagentje achter een fiets naar het noodziekenhuis gebracht. Dat was in een school. Haar bed bestond uit een paar matrasstukken, enkele kussens en dekens. De medicijnen brachten helaas geen verlichting. Zij had veel pijn en ze zou niet meer beter worden.

Op de dag voor het feest van Christus Koning brachten de zusters van Huize Arcadia een verrassing, zelfs een boeket bloemen om het feest op te luisteren. Zondag 29 oktober: Feest van Christus Koning. Een zuster Franciscanes vierde haar zilveren kloosterjubileum dat begon met een plechtige Hoogmis. Onze  medezusters uit Arcadia zorgden voor een pan bonenstamppot die ze in een kinderwagen vervoerden! Dat eten was echt welkom, want er was te vergeefs op het middagmaal gewacht. ’s Avonds werd er een optocht  met paarden gehouden met de jubilaresse en haar medezuster in een koetsje. Het was heel verrassend en feestelijk! Iedereen zong tot slot: Lang zal ze leven.

De nachten werden kouder. Eén deken hadden we maar om ons warm te houden. Tocht en koude drongen binnen door kapotte ramen. In de dagen voor het feest van Allerheiligen vertrok er weer een groep vluchtelingen en we mochten in een aangrenzend huis van de zusters de maaltijden gebruiken en we kregen warm eten uit hun eigen keuken. Echt een weldaad!

Woensdag 1 november: Feest van Allerheiligen. Dit feest werd gevierd met een plechtige hoogmis waarin een brief van de bisschop van Utrecht werd voorgelezen. Hij deed hierin een oproep om geëvacueerden te helpen en onderdak te verlenen. Het was de laatste dag hier en daarom werd na het Allerzielenlof het vertrek voorbereid en alles ingepakt. Op 2 november konden wij nog twee heilige missen bijwonen, waarin de pastoor een afscheidspreek hield en de zegen uitsprak over de verdere reis. Om half 9 zouden paarden en wagens komen om ons naar Ede te brengen. Ook de pensiongasten die zelf onderdak hadden gezocht en gevonden, kwamen weer bij ons. De wagens waren zo zwaar beladen, dat de paarden ze niet konden trekken. Dat was wachten tot er meer wagens waren. Uiteindelijk werden we over drie wagens verdeeld. De paters en de overste met haar assistenten wuifden ons na. Het klooster Larenstein zou altijd in onze herinnering blijven.

Voor de kostlui was er nog geen wagen. Ze gingen alvast te voet tot aan de stadsgrens, maar alle moeite van het Rode Kruis was tevergeefs. Toen kwam er een boerenwagen en de bezitter was bereid om naar Ede te rijden. Het paard was echter te zwak voor die grote wagen met vracht, die ook nog over slechte wegen moest gaan. Iedere 100 meter moesten de mannen duwen om hem weer op gang te krijgen. Gelukkig werd de weg beter. Het ging steeds bergop en bergaf door bossen met verschillende boomsoorten in prachtige herfstkleuren. We kwamen voorbij Arnhem waar zwaar gevochten was en ook nu hoorden we in de nabijheid de inslagen van kogels en granaten! We zagen veel vernielde auto’s en gebombardeerde huizen en ook het terrein waar de Engelse parachutisten geland waren.

Opeens werd ons bevolen van de wagens af te stappen en te voet verder te gaan. Het was nog 10 kilometer naar Ede! Het was bijna onmogelijk voor de oude mensen. Een voerman kreeg medelijden en nam de twee oudste zusters mee. We mochten ook onze bagage opladen. Degenen die nog redelijk ter been waren, gingen te voet richting Ede. De voertuigen die ons hadden moeten afhalen, waren onderweg door militairen in beslag genomen. Het was een zware tocht met angstige momenten. We liepen door een eindeloos lange heide. In de bossen vlakbij lagen de Duitse en Engelse soldaten. In hun strijd sloegen granaten vaak dicht bij ons in.

In Ede aangekomen vonden we religieuzen, die bereid waren om ons op te nemen. Ze hadden nu een klein huis, omdat ze hun klooster hadden moeten ontruimen. De goede zusters maakten een maaltijd voor ons klaar en daarna gingen wij naar een gezin in het dorp. Daar waren met matrassen   slaapplaatsen voor ons klaargemaakt.

Vrijdag 3 november: Stichtingsdag van onze congregatie. We woonden om 6.00 uur de H. Mis bij in de noodkerk, gevestigd in een meubelfabriek. Aangezien het nog niet zeker was of we zouden vertrekken, hielpen we mee om de aardappelen te schillen voor het middagmaal. Toen kwam de pastoor met de mededeling dat we onmiddellijk moesten vertrekken. Voor de meereizende mannen werd het gevaarlijk, want men wilde hen inzetten om loopgraven te maken aan het front. Na een hartelijk afscheid vertrokken we naar de verzamelplaats. Hier stonden alle wagens en karren uit Ottersum al klaar voor de aftocht. Er konden geen extra wagens geleverd worden, dus werd de bagage verdeeld over de karren en gingen we te voet verder. Het begon ook nog te regenen! De weg was wel goed, maar we waren dat lopen niet allemaal gewend. Gelukkig werd het gauw weer droog. Toen we een paar uur gelopen hadden kregen we in Renswoude van het Rode Kruis een boterham en een glas melk. Medelijdende mensen brachten ons appels. Met nieuwe moed trokken we verder, maar de tocht werd heel zwaar door vermoeidheid. In het dorp Scherpenzeel konden alle vluchtelingen wat uitrusten in een hotel. En men kreeg soep, een kop koffie en een boterham met kaas. Hier werden ook weer wagens ter beschikking gesteld en in draf ging het naar Woudenberg, waar we zouden overnachten.

Ons nachtverblijf was een ruimte in een huishoudschool met stro op de grond om op te slapen. Het werd steeds primitiever, ook ons eten: soep en brood. Het smaakte goed, want honger is de beste saus! We sliepen goed in het stro en het was warmer dan we dachten. Wel moesten we wat vroeger opstaan, want in dezelfde ruimte werd een altaar klaargemaakt voor de misviering om 6.00 uur. Met wat spullen, geleend van de toezichthouder, lukte dit. 

Het was zaterdag 4 november. We vertrokken van Woudenberg naar Zeist. Er waren twee missen opgedragen door de kapelaan en de pastoor. Staande ontvingen we de communie. Door het stro leek het wel of we in de stal van Bethlehem waren! In het evacuatiekantoor werd een eenvoudig ontbijt verstrekt en daarna vertrokken we. Er waren voldoende wagens. De reis ging door velden en weiden en ook door bosgebied. In de voormiddag waren we al in Zeist. Bij het ziekenhuis werd iedereen eerst gecontroleerd en vervolgens  kregen we een kop warme koffie. Daarna werden we naar een school gebracht van de broeders van Tilburg waar een klaslokaal voor ons werd ingericht. Een paar uur later kwam een broeder met het bericht dat we bij zusters werden ondergebracht. We waren daar goed en wel geïnstalleerd, toen we hoorden dat we als vluchtelingen rechtstreeks bij onze eigen zusters in Utrecht konden intrekken. Onze omzwervingen zouden ophouden. Grote vreugde en dankbaarheid over Gods Voorzienigheid!

Voor de derde keer die dag werden onze spullen bij elkaar gepakt en de reis ging richting Utrecht. Het was een blij weerzien in het klooster van het H. Hart. Het was een groot huis, maar 23 zusters erbij dat was geen kleinigheid. Gelukkig kwamen mensen uit de buurt de nodige spullen brengen zoals bedden en dekens. De zusters van het huis maakten hun cellen vrij voor ons en gingen zelf elders in het gebouw wonen. Wat heerlijk dat we ons goed konden wassen en vuil en stof verwijderen. Nadat we die nacht goed geslapen hadden, waren we als herboren.

Zondag 5 november onder de H. Mis dankten wij God hartelijk voor alle bescherming die hij ons op deze lange reis geboden had. In de periode die volgde hielpen wij onze zusters in huis, want de eigen zusters werkten gewoon in de scholen. De feestdagen brachten veel herinneringen aan Roepaan. We kregen een bericht van de achtergebleven zusters via een onbekende heer. Op 20 december hadden zij het huis of wat er van over was na een bombardement en brand moeten verlaten. Met een trein werden ze weggevoerd. Ze verbleven nu in een retraitehuis in Zenderen. Vijf zusters waren overleden en daar begraven. Wij gingen proberen om met hen in contact te komen. Hier in Utrecht begon het spook van de honger op te doemen. Vooral kinderen leden hieronder. Er waren geen aardappels, geen brood en vrijwel geen andere voedingsmiddelen. Elke week kregen 3000 kinderen in de school een maaltijd. Maar dat was veel te weinig. Wat een feest toen we eindelijk te horen kregen dat de oorlog voorbij was! Het was de eerste zaterdag van de maand mei 1945. We dankten God met een nachtelijke Aanbidding in de kapel.