Ons Erfgoed
 
 
Zr. Maria Martha
 

Als kind had ik al de gedachte om naar de missie te gaan als ik groot zou zijn. In 1959 kwam er een algemene brief in de huizen, waarin geen zusters werden gevraagd maar geld en dat had ik niet!  Maar om mijn verlangen weer onder de aandacht te brengen, schreef ik een brief aan moeder Hermana. Die viel volgens mij niet in goede aarde. "Geld heb ik niet, maar wat ik wel heb dat wil ik heel graag geven en dat is: mijzelf. Mijn kwaliteiten zijn: hard werken als een paard, eten als een heimijer, slapen als een os en ik wil heel graag mijn krachten geven voor deze arme mensen". Om 4 uur gaf ik deze brief mee naar Steyl. Om 5 uur ging de telefoon, of ik even aan de telefoon wilde komen. Of ik wel wist dat dit een serieuze zaak was. Ik zei dat ik dat wel wist maar dat mijn verlangen ook serieus was. Een paar maanden later kreeg ik een positief bericht.

 

 

Ik ben 36 jaar in Malawi geweest, tot 1996. Die 36 jaar waren mijn mooiste tijd. Het was niet alleen mooi, maar vooral in het begin ook een moeilijke tijd.

Onze huiskamer was 3 bij 4 meter. De muren waren van leem 1.5 meter hoog. Rondom was een muskietennet en bovenop was een dak van gras.

 

Dit was ons eerste huis in Muona. Ons toekomstige huis waren ze nog aan het bouwen.

De eerste weken kregen we vaak bezoek. Vrouwen en kinderen stonden dan voor onze huiskamer en bleven daar dan mooi staan kijken. Als we dan de deur open maakten en hen begroeten met “Monny Mai” , het enige wat we in de inlandse taal kenden, zeiden ze dat ze de nieuwe zusters wilden zien.

De taal was in het begin een groot probleem.

Wat ons werk betreft:

Zr.Eltrudis en Zr.M.Bernadet waren beiden vroedvrouw en verpleegster. Die hadden van de eerste dag af aan werk genoeg en de paters waren blij dat ze dat werk af konden geven. Mensen moesten geholpen worden met zieke ogen, verstopping of diarree, buikloop, wonden en andere kwalen. Een onderwijzer die Engels verstond, vertaalde dan de klachten en zo konden de zusters dan de mensen helpen.

Zr. Virgina was onderwijzeres. Toen wij in Muona kwamen, was er een lagere school, als je dat een lagere school kunt noemen. Acht jongens en vier meisjes, in een vertrek van 4 bij 5 meter met muren van gras en 1½ meter hoog. Ook het dak was van gras, ter beschutting tegen zon en regen. Banken waren er niet; de kinderen zaten op de grond. Voor de onderwijzer was er een gammel tafeltje, een stoel en een “blackboard”. Zr.Virginia begon maar direct de inlandse taal te leren en twee vrijwilligers hadden in een maand een klaslokaal klaar om te beginnen. Heel gauw kwamen de eerste leerlingen. Onze Zr. M. Theresia was een van de eersten. Sommigen kwamen van ver. Geen probleem en ieder bracht zijn eigen mat mee van gevlochten palmbladeren; dat was alles wat ze nodig hadden. ’s Nachts konden ze erop slapen en overdag werden ze opgerold en konden ze in het klaslokaal dienen. Ikzelf deed huishoudelijk werk. De was deed ik op 3 stenen in een halve benzinedrum en een wasbord. Strijken ging met een houtskool-ijzer.

In het begin hadden we nog een hoofdbandje om, maar dat duurde niet lang; om 9 uur was dat al als een harmonika in elkaar gezakt. Dus bleef alleen de sluier over.

Natuurlijk moest ik onze woonvertrekken schoon houden. Dat was mijn werk in de eerste jaren. Toen het eerste deel van het ziekenhuis klaar was, lag mijn werk in de kinderafdeling. Later, toen we leerling verpleegsters kregen, ben ik overgegaan naar het zustershuis voor al het werk dat daar te doen was. Ook om de armen die altijd hun toevlucht bij de zusters zochten, te helpen zo goed als ik kon. Een vriendelijk woord en de tijd die je nam om geduldig naar hun problemen te luisteren, deed hun al goed.

Al deze ervaringen in deze 36 jaar zijn voor mij een grote ervaring en rijkdom geweest. Ik denk dat ik van deze mensen in hun armoede veel heb kunnen leren. Ik ben dankbaar voor deze 36 jaar die ik in Muona heb mogen zijn, voor wat ik mocht zijn en doen voor deze arme mensen die ook weer vaak een voorbeeld voor mij mochten zijn. Dit heeft mijn leven rijk gemaakt.